als uw browser geen frames kan weergeven, dan kunt u de links op deze pagina gebruiken om de informatie te vinden die u nodig heeft.
Mocht uw browser wel in staat zijn frames weer te geven, dan klikt u hier voor onze hoofdsite of hier voor deze tekst op de hoofdsite.
|
||||||||||||||||||||||||||||
BelastingFiscale PartnerHet begrip fiscale partner is door de belastingdienst geïntroduceerd in de Wet Inkomstenbelasting 2001, de definitie is; een partner is een niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner van een belastingplichtige. In de praktijk dus echtparen en mensen met een samenlevingscontract. Dit betekent dat u en uw (ex)partner dus elkaars fiscale partner zijn(waren). Fiscale partners kunnen enkele gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en aftrekposten onderling verdelen, zodat gezamenlijke aftrekposten bijvoorbeeld benut worden door de persoon met het hoogste inkomen, zodat het behaalde belastingvoordeel maximaal is.In het geval van een scheiding vervalt uw fiscale partnerschap en zal u beide apart als belastingplichtige aangifte moeten doen. De belastingdienst gaat hierbij onder andere uit van het moment waar de echtgenoten niet meer duurzaam samenleven, zie ook termen uitleg bij Recht & Regels, de belastingdienst gaat dus uit van de praktijk en niet het moment waarop de echtscheiding bij de gemeente wordt in geschreven. Inkomsten en aftrekposten zijn niet meer gemeenschappelijkAls u getrouwd bent, bent u voor de belasting automatisch fiscale partners. Als u het hele jaar fiscale partners bent, mag u de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten verdelen. U kunt dan met uw fiscale partner afspreken hoe u de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten verdeelt. Elke verdeling is mogelijk, als u in totaal maar 100% van de inkomsten en aftrekposten aangeeft. Dit geldt ook voor de bezittingen en schulden in box 3. U kunt bijvoorbeeld samen overeenkomen dat ieder zijn eigen spaarrekening aangeeft plus de helft van de gezamenlijke spaarrekening. Als u gescheiden bent, wordt u voor de belasting niet meer als fiscale partners beschouwd. Dat betekent dat u in het jaar van scheiding geen gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten meer heeft. Zowel u als uw ex-echtgenoot moeten dan ieder afzonderlijk de eigen inkomsten en aftrekposten aangeven.Bron belastingdienst Vanaf wanneer geen gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten meer?Als u gaat scheiden, heeft u voor de belasting al geen gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten meer vanaf 1 januari van het kalenderjaar waarin u gaat scheiden. Het maakt hierbij niet uit in welke maand u daadwerkelijk uit elkaar gaat. U kunt er in het jaar van de scheiding echter samen voor kiezen om nog wel het hele jaar als fiscale partners te worden beschouwd. In dat jaar mag u dan nog in onderling overleg kiezen wie welk deel van uw gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten aangeeft of aftrekt. In sommige gevallen kan dat voordelig zijn. U kunt uw keuze na afloop van het jaar aangeven op uw 'Aangifte inkomstenbelasting' of vooraf via een 'Verzoek om voorlopige teruggaaf'.Bron belastingdienst Eigen woningFiscale regelgeving speelt een belangrijke rol bij de behandeling van de eigen woning, dat verandert niet in het geval van een echtscheiding. De afgelopen jaren zijn ingrijpende maatregelen doorgevoerd in de behandeling van de “hypotheekrente aftrek”, niet het minst door de invoering van het boxen systeem.Vanaf 1997 wordt stapje voor stapje de aftrekbaarheid van betaalde rente in de particuliere sfeer beperkt. Sinds 1 januari 2001 kennen we de regeling dat de rente van leningen voor consumptieve doeleinden en beleggingen niet meer aftrekbaar is, deze schuld moet in box 3 in mindering gebracht worden van het vermogen. Met het in werking treden van de Wet InkomstenBelasting 2001 is alleen de rente voor leningen aftrekbaar die dienen ter financiering van aankoop, verbetering of onderhoud van de eigen woning. Definitie, Er is sprake van een eigen woning indien de woning de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn/haar huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom of een recht van vruchtgebruik. Recentelijk is een nieuwe stap gezet in dit proces, de bijleenregeling 2004, deze regeling richt zich op de behandeling van de eventueel in een woning aanwezige overwaarde.In het huidige systeem was ongewild een ongelijkheid ontstaan in de fiscale behandeling van de eigen woning bezitter die niet verhuisde en diegene die wel verhuisde. Voorbeeld werking huidige situatie. Hoogte hypotheek € 110.000 Waarde woning (verkoop) € 200.000 Overwaarde € 90.000 Voorbeeld A, indien de niet verhuizende huiseigenaar de overwaarde wil benutten en een lening van € 90.000 neemt dan is de hierover betaalde rente niet aftrekbaar aangezien het een consumptieve lening betreft. De lening wordt gerangschikt in box 3, tenzij de lening wordt gebruikt ten behoeve van de eigen woning (voor onderhoud of verbetering). Voorbeeld B, indien de verhuizende huiseigenaar echter zijn woning verkoopt voor € 200.000 en een andere woning aanschaft voor tevens € 200.000, dan kan de betaalde rente voor het volledige hypotheekbedrag( € 200.000 )in box 1 als hypotheekrenteaftrek worden bestempeld, dus inclusief de € 90.000 waarover de huiseigenaar in voorbeeld A de rente niet mag aftrekken. De overheid is van mening dat deze ongelijkheid tussen verhuizen en blijven zitten tenietgedaan moet worden en heeft hiervoor de Bijleenregeling opgesteld. Hieronder volgt in het kort de uitleg van de werking van de nieuwe wetgeving doormiddel van een voorbeeld, deze regeling moet nog door de Eerste Kamer worden behandeld. Elders op de site (Nieuws en Actualiteiten) kunt u een volledige bespreking vinden van de inhoud, veelgestelde vragen en antwoorden zoals die op dit moment relevant zijn voor dit voorstel. Bijleenregeling hypotheken 2004Voorbeeld ter verduidelijking:Stel dat iemand zijn woning verkoopt voor € 280.000 en zijn hypotheekschuld bedraagt € 220.000. vervolgens koopt hij/zij een huis van € 360.000 ( bedrag inclusief alle bijkomende kosten; overdrachts belasting, afsluitprovisie, notaris-en makelaarskosten) De maximale hypotheek waarvoor rente aftrek geldt, bedraagt dan € 300.000. Dit is de koopsom van de nieuwe woning (€360.000) verminderd met het verschil (vervreemdingssaldo) tussen de opbrengst van de oude woning(€280.000) en de bestaande hypotheekschuld (€220.000). Indien er een hogere hypotheek wordt afgesloten dan € 300.000, dan is de rente over dat hogere deel dus niet meer aftrekbaar. Het afsluiten van een hypotheek voor het volledige aankoopbedrag (€360.000) blijft mogelijk, maar de rente over het verschil (€ 60.000) is niet meer aftrekbaar in box1. De belastingdienst heeft er voor zorg gedragen dat de regeling bestaand is tegen pogingen tot omzeiling van deze kerngedachte. Zo geldt er een periode van 5 jaar waarin de “eigenwoningreserve” (bedrag waarover voor een nieuwe woning geen aftrekbare hypotheekschuld kan worden genomen) van kracht blijft. Tevens zijn binnen een ficaal partnerschap regels opgesteld die voorkomen dat creatief kan worden geschoven tussen partners onderling en verschillende boxen. In het geval van een echtscheiding redeneert de belastingdienst dat elk van de ex-partners dat gedeelte van de “eigenwoningreserve” krijgt toegewezen dat in overeenstemming is met de eigendomsverhouding van de woning en daarbij horende hypotheekschuld tijdens het partnerschap. Uitgaande van een huwelijk in gemeenschap van goederen krijgt elk van de gewezen partners de helft van de “eigenwoningreserve” toegewezen. Voorbeeld Stel dat iemand een woning heeft ter waarde van € 200.000, een hypotheeklening van € 100.000 en getrouwd is in gemeenschap van goederen. Indien op enig tijdstip het huwelijk wordt ontbonden en de partner wordt uitgekocht, is de werking als volgt. Degene die in de woning blijft wonen, betaalt per saldo € 50.000 aan de partner ( €100.000 voor de helft van de woning minus € 50.000 voor de overname van de helft van de schuld). Indien hij geen eigenwoningreserve heeft bedraagt zijn eigenwoningschuld in totaal € 150.000. De partner die uitgekocht wordt, behaalt een vervreemdingssaldo van € 50.000. Dat bedragwordt toegevoegd aan de eigenwoningreserve en moet bij een eventuele volgende aankoop van een woning in aanmerking worden genomen. N.B. In de nog volgende teksten en voorbeelden wordt nog geen rekening gehouden met de nieuwe regeling aangezien het voorstel nog niet in de Eerste Kamer is behandeld en het de overzichtelijkheid en duidelijkheid van andere minstens zo interessante gevolgen van een scheiding niet ten goede komt. De wetgever heeft er voor gekozen om de belastingplichtige in geval van een echtscheiding de tijd te geven om in een vaak emotionele periode de financiële zaken te regelen. Een voorbeeld hiervan is dat de wetgever de woning gedurende twee jaar na het verlaten van de echtelijke woning nog als een eigen woning beschouwt, mits de echtgenoot de woning nog als hoofdverblijf blijft gebruiken. artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001"Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat."Toerekening van inkomensbestanddelenDe toerekening van de gemeenschappelijke kosten kan bij een scheiding tot problemen leiden, artikel 2.17 van de Wet IB 2001 bepaald dat fiscale partners de gemeenschappelijke inkomsten aan elkaar kunnen toerekenen. In het jaar waarin één van de partners overlijdt of waarbij in het kader van een echtscheiding één van de partners de woning verlaat zou dit tot problemen kunnen leiden om dit te ondervangen is in artikel 2.17 lid 7 Wet IB 2001 bepaald dat de belastingplichtige toch wordt geacht gedurende het gehele jaar een partner te hebben gehad ondanks het feit dat wellicht slechts een gedeelte van het jaar het geval was, indien hij daar samen met zijn partner voor kiest. In het jaar van scheiden is het dus nog wel mogelijk om inkomensbestanddelen toe te rekenen, zoals tot dan gebruikelijk, daarna niet meer. Op het moment dat de gemeenschap wordt verdeeld eindigt het toerekeningsprobleem. In de tussenliggende periode moeten de inkomsten verdeeld worden naar rato van de gerechtigheid van de vermogensbestanddelen.Het echtscheidingstrajectHet traject van een echtscheiding bestaat uit meerdere fasen. Per fase zijn er specifieke fiscale problemen en mogelijkheden. De meest voorkomende huwelijksvorm, en qua fiscale behandeling de meest uniforme, is het huwelijk in gemeenschap van goederen. Dat nemen we dus als uitgangspunt voor ons fiscale traject. Een huwelijk dat ontbonden gaat worden door middel van een scheiding kent verschillende stadia.Zie ook Recht & Regels. De wijze waarop de fiscus onderscheid maakt ten aanzien van de hypothecaire lening en de hypotheek rente en de daarbij horende mogelijkheden tot aftrek zijn als volgt. Uitgaande van de situatie zoals deze voor de scheiding was, kon de betaalde rente over de hypothecaire schuld op grond van artikel 2.17 lid 7 Wet IB 2001 toegerekend worden aan de partner met het hoogste inkomen en vervolgens daar op basis van artikel 3.111 Wet IB 2001 in aftrek gebracht worden. In andere woorden niets anders dan de bekende hypotheekrente aftrek voor de eigen woning. Eén van de voorwaarde voor hypotheekrente aftrek is dat de woning het hoofdverblijf dient te zijn, in het geval van een scheiding zal naar alle waarschijnlijkheid voordat de scheiding definitief is er een periode zijn waarin één van beide echtgenoten de woning zal verlaten, voor hem of haar geldt dan dat de eigen woning niet meer het hoofdverblijf is. Via het al getoonde artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001 zorgt de fiscus ervoor dat de woning fictief nog twee jaar als de eigen woning beschouwt mag worden door de vertrekkende echtgenoot, zodat deze zijn/haar deel van de rente aftrek kan blijven benutten. De vertrekkende partner zal ook zijn of haar deel van het eigenwoningforfait moeten aangeven, er bestaat dan wel de mogelijkheid dit bedrag als alimentatie te kwalificeren onder de noemer van persoonsgebonden aftrek. N.B. Deze aanvullende regeling voor de eigen woning is alleen van toepassing op het voormalige gemeenschappelijke hoofdverblijf en uitdrukkelijk niet van toepassing op een woning die na een scheiding voor de ex-partner is aangeschaft. Het staat de vertrekkende partner wel vrij een eigen woning aan te schaffen, in dat geval kan hij zowel de rente voor de “voormalige echtelijke woning” als zijn eigen woning aftrekken. VoorbeeldsituatieMartijn en Michelle hebben een eigen woning (WOZ-waarde €400.000) en een hypothecaire schuld van €300.000 (rente 6%). De rente wordt door beide voor de helft voldaan. Martijn verlaat op 1 februari 2003 de woning vooruitlopend op de scheiding, welke uiteindelijk op 1augustus 2004 wordt uitgesproken.De eigenwoningregeling blijft voor Martijn in het jaar 2003 en 2004 van toepassing. Hij wordt belast voor 50 % van het eigenwoningforfait (€1500). Aan rente betaald hij €9000, per saldo kan hij dus €7500 in box1 in mindering brengen. Martijn kan als persoonsgebonden aftrek het aan de ex-partner verstrekt woongenot, ter waarde van €1500 op zijn inkomen in mindering brengen. Voor Michelle geldt dat zij €7500 (€9000 betaalde rente minus €1500 eigenwoningforfait) in mindering mag brengen op haar box1 inkomen. Het woongenot dat zij heeft genoten en waarvoor Martijn €1500 mocht aftrekken wordt bij haar echter belast. Via een omweg wordt dus het volledige eigenwoningforfait à €3000 voor rekening van Michelle gebracht. HuurwaardeWelke ex-echtgenoot - in geval van scheiding of duurzaam gescheiden leven - de huurwaarde moet aangeven, hangt af van de volgende factoren. Wie is de eigenaar van de woning: beide ex-echtgenoten, of één van beiden. Heeft u afspraken gemaakt over de vraag wie er in de woning blijft wonen. Zo ja, dan is er sprake van 'bewoning met recht'. Voorbeelden van zulke afspraken zijn een rechterlijk vonnis, een echtscheidingsconvenant, een mondelinge afspraak. Zijn er geen afspraken gemaakt, maar gaat de eigenaar akkoord met het bewonen, dan kan er sprake zijn van 'bewoning zonder recht'. Dat kan zich voordoen voordat de scheiding is uitgesproken, in de periode van duurzaam gescheiden leven.Er zijn vijf situaties mogelijk: Ex-echtgenoot A is eigenaar en blijft in het huis wonen. Ex-echtgenoot B is eigenaar, ex-echtgenoot A blijft in het huis wonen 'met recht'. Ex-echtgenoot B is eigenaar, ex-echtgenoot A blijft in het huis wonen 'zonder recht'. Beide ex-echtgenoten zijn eigenaar; ex-echtgenoot A blijft in het huis wonen 'met recht'. Beide ex-echtgenoten zijn eigenaar; ex-echtgenoot A blijft in het huis wonen 'zonder recht'. Bent u in de loop van het kalenderjaar gescheiden, dan moet u de huurwaarde berekenen van de periode vóór de scheiding en van de periode na de scheiding. Dit doet u als volgt: Bepaal eerst de huurwaarde voor de eigenwoning die uw hoofdverblijf is over het hele jaar. Bepaal vervolgens welk deel van het jaar u gehuwd was en bereken de huurwaarde voor dit deel van het jaar. De huurwaarde voor het deel van het jaar waarin u gehuwd was, moet worden aangegeven door de echtgenoot die in die periode het hoogste persoonlijke inkomen had. Voor de periode na de scheiding moet u eerst bepalen wie de huurwaarde aangeeft. Als u de huurwaarde moet aangeven, bepaal dan de huurwaarde van de eigen woning die uw hoofdverblijf is. N.B. zoals reeds eerder vermeld zijn de gevolgen van de Bijleenregeling hypotheken 2004 niet in de nu volgende voorbeelden geïmplementeerd. Situatie: ex-echtgenoot A is eigenaar van de woning en blijft in het huis wonen. Ex-echtgenoot A doet aangifte van de huurwaarde en mag aftrekken: de door hem betaalde hypotheekrente; de door hem betaalde periodieke betalingen voor erfpacht of opstal. Ex-echtgenoot B geeft geen huurwaarde aan. Ook mag hij geen aftrekposten voor de eigen woning aangeven. Als ex-echtgenoot B de hypotheekrente betaalt, is dit bedrag voor hem aftrekbaar als alimentatie. Ex-echtgenoot A geeft het bedrag van de hypotheekrente aan als ontvangen alimentatie en kan dit vervolgens als kosten voor de woning aftrekken. Situatie: ex-echtgenoot B is eigenaar; ex-echtgenoot A blijft op basis van een afspraak in het huis wonen (bewoning 'met recht'). Ex-echtgenoot A doet aangifte van de huurwaarde. Ex-echtgenoot B mag aftrekken: de door hem betaalde periodieke betalingen voor erfpacht of opstal. de door hem betaalde hypotheekrente; Situatie: ex-echtgenoot B is eigenaar; ex-echtgenoot A blijft in het huis wonen zonder dat daarover afspraken zijn gemaakt, maar met goedvinden van ex-echtgenoot B (bewoning 'zonder recht'). Ex-echtgenoot B doet aangifte van de huurwaarde en trekt tegelijkertijd dit bedrag af als betaalde alimentatie. Daarnaast mag hij aftrekken: de door hem betaalde hypotheekrente; de door hem betaalde periodieke betalingen voor erfpacht of opstal. Ex-echtgenoot A moet het bedrag van de huurwaarde aangeven als ontvangen alimentatie. Situatie: beide ex-echtgenoten zijn eigenaar; ex-echtgenoot A blijft op basis van een afspraak in het huis wonen (bewoning 'met recht'). Alleen ex-echtgenoot A geeft de huurwaarde aan. Beide ex-echtgenoten kunnen ieder apart aftrekken: het deel van de hypotheekrente dat zij zelf hebben betaald; periodieke betalingen voor erfpacht of opstal die zij zelf hebben betaald. Situatie: beide ex-echtgenoten zijn eigenaar; ex-echtgenoot A blijft in het huis wonen zonder dat daarover een afspraak is gemaakt, maar met goedvinden van ex-echtgenoot B (bewoning 'zonder recht'). Beide ex-echtgenoten doen aangifte van het deel van de huurwaarde dat overeenkomt met hun aandeel in de woning. Bij huwelijk in gemeenschap van goederen betekent dit: ieder geeft de helft aan. Ex-echtgenoot B mag het bedrag van de huurwaarde dat hij heeft aangegeven, als betaalde alimentatie aftrekken. Ex-echtgenoot A moet dit deel van de huurwaarde van de woning aangeven als ontvangen alimentatie. Beide ex-echtgenoten kunnen ieder apart aftrekken: het deel van de hypotheekrente dat zij zelf hebben betaald; periodieke betalingen voor erfpacht of opstal die zij zelf hebben betaald. AlimentatieEr zijn twee soorten alimentatie te weten; partner-alimentatie en kinderalimentatie, zie ook Recht & Regels en Trema normen, de fiscale behandeling van deze twee verschilt aanzienlijk.Alimentatie die u aan uw ex-echtgenoot betaald is aftrekbaar van uw inkomen in box 1, als u partner-alimentatie ontvangt dan moet u dat bij uw box 1 inkomen optellen, de kosten die u maakt om de alimentatie daadwerkelijk te ontvangen zijn aftrekbaar in dezelfde box 1, te denken hierbij valt aan bijvoorbeeld advocaatkosten. De belastingdienst stelt de volgende voorwaarde aan de kwalificatie van partner-alimentatie Voor kinderalimentatie geldt dat deze niet aftrekbaar is, tenzij aan bepaalde voorwaarde is voldaan (zie volgende alinea), de verzorgende partner die de kinderalimentatie ontvangt hoeft deze bedragen ook niet op te geven als inkomen. Voorwaarden voor aftrek U onderhoudt uw kind voor minstens € 373 per kwartaal. Uw kind heeft werkelijk financiële steun nodig. U bent moreel verplicht uw kind te onderhouden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als uw kind niet kan werken en ook geen uitkering ontvangt. Uw kind levert geen tegenprestatie voor de uitgaven, zoals het doen van het huishouden. Uw kind heeft geen recht op studiefinanciering, een tegemoetkoming in de studiekosten of op een bestuursbeurs. U (of iemand die tot uw huishouden behoort) heeft geen recht op kinderbijslag voor uw kind. Let op! Voor de toepassing van de aftrek kosten levensonderhoud is de situatie op de eerste dag van het kalenderkwartaal bepalend. Dit geldt met name voor: de leeftijd van het kind; het recht op kinderbijslag; het recht op studiefinanciering. Als uitgangspunt geldt ook dat de mate van onderhoud per kwartaal moet worden beoordeeld, maar als de onderhoudsplicht het gehele jaar heeft bestaan, dan is het voor de beoordeling niet zo belangrijk dat in het ene kwartaal meer wordt bijgedragen dan in het andere kwartaal. Wel moeten die hogere kosten betrekking hebben op uitgaven die aan het hele jaar zijn toe te rekenen. Voor 2002 gelden de volgende bedragen voor de aftrek van de kosten voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar: Aftrekbedrag Leeftijd kind €260 Per kalenderkwartaal als het kind jonger is dan 6 jaar €315 Per kalenderkwartaal als het kind 6 jaar of ouder, maar jonger dan 12 jaar is €399 Per kalenderkwartaal als het kind 12 jaar of ouder, maar jonger dan 18 jaar is €315 Per kalenderkwartaal als het kind 18 jaar of ouder is Verhoogde bedragen Als het kind 18 jaar of ouder is, gelden in 2002 de volgende verhoogde bedragen: € 630 Per kalenderkwartaal als: Het kind 18 jaar of ouder is; en het kind voor meer dan 50% van de totale kosten wordt onderhouden; en de kosten ten minste € 630 bedragen. € 945 Per kalenderkwartaal als: Het kind 18 jaar of ouder is; en het kind voor ten minste 90% van de totale kosten wordt onderhouden; en de kosten ten minste € 945 bedragen; en het kind uitwonend is Voorwaarden voor ontvangen kinderkorting U heeft recht op de kinderkorting als u voldoet aan alle volgende voorwaarden: Er behoort in het jaar meer dan zes maanden een kind tot uw huishouden. Dit geldt ook voor kinderen die vóór 1 juli van het jaar zijn geboren. Het kind staat in die periode op hetzelfde woonadres als u of uw partner ingeschreven bij de gemeente. Het kind is aan het begin van het jaar jonger dan 18 jaar. Het kind wordt in belangrijke mate door u of uw partner onderhouden. Het verzamelinkomen van u en uw partner samen is niet hoger dan € 56.191 in 2002. (Zie voor de maximale bedragen van de kinderkorting de onderstaande tabel.) U onderhoudt een kind in belangrijke mate als u het kind voor minimaal € 373 in 2002 per kwartaal onderhoudt of wanneer u recht heeft op kinderbijslag voor dat kind. Voorwaarden voor ontvangen aanvullende kinderkorting U heeft recht op de aanvullende kinderkorting als: u recht heeft op de kinderkorting (zie hierboven). het verzamelinkomen van u en uw partner samen niet hoger is dan € 28.096 in 2002. (Zie voor de maximale bedragen van de aanvullende kinderkorting de onderstaande tabel.) Toerekening De (aanvullende) kinderkorting wordt toegepast bij een van de partners. (Zie Toepassing kinderkorting bij partners.) Hoogte (aanvullende) kinderkorting De (aanvullende) kinderkorting in 2002 bedraagt:
Deze bedragen zijn niet afhankelijk van het aantal kinderen. Niet iedere belastingplichtige krijgt automatisch het maximumbedrag van de heffingskortingen. De hoogte van de heffingskorting is afhankelijk van uw positie voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. De heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. (Zie ook: Verrekening en hoogte heffingskorting.) Co-ouderschapDe Belastingdienst betaalt de heffingskortingen in verband met kinderen uit aan de ouder waarbij het kind officieel staat ingeschreven. Daardoor kan maar één ouder de heffingskortingen voor hetzelfde kind ontvangen. De combinatiekorting vormt een uitzondering op deze regel; beide ouders kunnen deze korting aanvragen. Voorwaarde is dat zij allebei een baan hebben.Ook de huursubsidieregeling en de Wet Tegemoetkoming schoolkosten gaan ervan uit dat een kind bij één ouder staat ingeschreven. De kindertoeslag boven op de huursubsidie kan daardoor door één ouder worden aangevraagd, net als de Tegemoetkoming schoolkosten. De meeste sociale diensten tot slot, redeneren dat de kinderen ten lasten komen van twee huishoudens, maar dat co-ouders bepaalde kosten kunnen verdelen. Co-ouders die recht hebben op een bijstandsuitkering, ontvangen daardoor meestal een bedrag dat ligt tussen de norm voor eenoudergezinnen en die voor alleenstaanden. Combinatiekorting ook voor de niet-verzorgende ouder De Belastingdienst betaalt de heffingskortingen in verband met kinderen uit aan het huishouden waar het kind meer dan zes maanden staat ingeschreven in het bevolkingsregister. Bij echtscheiding of bij co-ouderschap kan maar één ouder de heffingskortingen voor hetzelfde kind ontvangen. Een uitzondering geldt voor de combinatiekorting, die door beide ouders kan worden aangevraagd. |
||||||||||||||||||||||||||||